|
Ik ging in de mand zitten. Er was net genoeg plaats voor, en het gaf ook een zekere mate van opluchting. Men zat er niet bijzonder behaaglijk in, want de vreemde verzameling voorwerpen die zich beneden daarin bevond, maakte haar niet bepaald geschikt om zich werkelijk te kunnen ontspannen, maar er zijn ogenblikken dat een mens eenvoudig moet gaan zitten, hoe hard en ruw de zitplaats ook moge zijn. Dit was een vide ogenblikken. Ik vouwde mijn knieen zo geod als ik kon en waar maar een plaatsje vrij leek te zijn, plantte ik mijn voeten en drukte mijn rug in het touw achter mij. De mand hield op met schommelen, en de hele wereld werd even stil als te voren. De kruin van mijn hoofd was gelijk met de rand van de mand, maar ik kon door het dikke tenen vlechtwerk anderhalve kilometer ver omlaag zien naar de aarde. Een groot gedeelte daarvan was water, want op dat ogenblik gingen wij over een meer, maar er was ook land, dat zich oneindig ver uitstrekte, met klippen en vlakten, stuifzand en moerassen, golvende heuvels en wouden, die zich alle venmengenden, alle in elkaar overgingen totdat ze zich oplosten in de nevel en vaagheid aan de rand van de aarde...
250 pag.
Harde kaft ingebonden
Licht vergeeld - rest goed
Met enkele zwart-wit illustraties
1965 Bosch & Keuning nv Baarn
|