|
Bij de congreskolom, die grijs en verweerd naar de hemel wijst, staat Steven, ineengedoken en met de handen in de broekzakken, naar de eeuwige vlam en de besneeuwde bloemen en kransen te kijken.
Hij kijkt lang naar de zuil, want ze is groot en vreemd, veel hoger dan hij had gedacht. Maar de dingen die hij er had vermoed, vallen tegen. Er zijn alleen maar trams die in de rails denderen of knarsen, auto's die voorbijsnorren, mensen die strak kijken van kou en de gebouwen zijn geen paleizen. Ze schijnen hem bijna zo triestig - al zijn ze dan groter, - als de huizen beneden de stenen balustrade achter de kolom. 't Is er ook even koud als bij het asyl en hij voelt er zich even ver verwijderd van die andere straat, waar hij gewoond en gestoeid heeft, waar de jongens en de meisjes heel anders waren dan die welke hij van op de brede trap, die naar de oude stad leidt, kan zien spelen. Ze gooien met sneeuwballen naar elkaar tot ze Steven opmerken. 'n vreemde luis die ze nog nooit hadden gezien en die ze eens zullen laten voelen dat ze hard en juist smijten. Ze zullen hem sneeuw laten vreten en ze naderen, hem insluitend, lachend om zijn verlegen grimas waarachter hij zijn angst verstopt. Ze laten hem wijken tot bij de muur van het asyl. 't Is daar dat ze hem wilden hebben en dat de sneeuw op of naast Steven uiteenspat, tot plots 'n schrille stem over het plein klinkt dat ze hun 'bakkes' moeten houden. ...
256 pag.
Harde kaft ingebonden
Gulden reeks van het Davidsfonds nr. 437 1955-10
|