|
In de jaren waarin dit boek zich afspeelde, behoorden de Green Mountains, de White Mountains, de Appalachen en verder zuidelijk de Alleghanies nog aan de krijgshaftige Indianenstammen van Noord-Amerika. Aan de kusten hadden Engelsen en Nederlanders hun vaandels geplant: nederzettingen van de blanken schoven langzaam vooruit in de richting van het bergland. Van Canada uit drongen de Fransen naar het zuiden en zwierven van de Grote Meren over de bergen en door de rivierdalen van de Ohio en de Mississippi. Ook hun aantal was nog gering. Hun koning en zijn gouverneur, Graaf Frontenac, hoopten echter het noorden van de Nieuwe Wereld helemaal te kunnen veroveren, en g edurende enige tijd scheen hun dit te lukken, aangezien hun bestuur, hun expedities en hun krijgsmacht die der staten van Nieuw-Engeland en de Nederlandse steden langs de kust overtroffen. Te midden van de zo bewogen gebeurtenissen van die tijd, woonde in New York een zoon van een dominee uit Frankfurt, Jakob Leisler. Hij was koopman en rechter en later gouverneur van de stad. Hij was een groot en meeslepend redenaar, idealistisch, maar ook meen neiging van pralen, listig in het kleine, maar in grote dingen bereid tot offers. Hartstochtelijk was hij zijn geloof toegedaan, zijn geloof namelijk aan de zuiverheid Gods Woord en aan de Vrijheid van de Nieuwe Wereld. Hier volgt zijn geschiedenis...
302 pag.
Harde kaft ingebonden
1953 Uitgeverij P. Vink Antwerpen-Amsterdam
|